woensdag 20 maart 2013

20 maart




Uit het boek Weg und umweg  einer liebe  van Henry Hoek met de de datum van vandaag .


dinsdag 19 maart 2013

Martinus Hoek

InventarisnummerUG-5234
Themauniversiteit, vakgebieden
Verhaalhooglerarenportretten
Personen en instellingenHoek, M.
Collectienatuurwetenschappen, sterrenkunde
Categoriebeeldmateriaal
Materiaalolieverf
Afmetingenhoogte: 56 cm, breedte: 67 cm
Opschriftrb, 1875 (signering)
VervaardigerJ.H. Neuman
Datering1875 - 1875
InstellingsnaamUniversiteitsmuseum Utrecht

Hoek, Martinus]

HOEK (Martinus), geb. 13 Dec. 1834 te 's Gravenhage, overl. te Utrecht 3 Sept. 1873 als hoogleeraar in de sterrekunde aan de utrechtsche hoogeschool. Zijn vader, Andries Hoek, een kundig en zeer geacht chirurg te 's Gravenhage, was gehuwd met Johanna Maria de Wit, en M.H. ontving in zijn geboortestad zijne opleiding op het gymnasium onder leiding van den rector C. Bax. Hij gaf daar reeds blijken van groote vlugheid en zin voor wetenschappelijke studie, maar tevens van een sterk onafhankelijkheidsgevoel en afkeer om in het gewone maatschappelijke gareel te loopen, vooral als hij daardoor eenigermate in zijne gewone werkzaamheden gehinderd werd. Zoo zorgde hij er b.v. voor, door in zijn werk steeds enkele fouten te maken, dat hij nimmer de eerste maar altijd de tweede in zijne klasse bleef. Deze karaktereigenschappen zijn hem steeds bijgebleven en, hoe voordeelig ze ook voor zijne wetenschappelijke werkzaamheid waren, ze zijn toch in zijn later leven meer dan eens oorzaak geweest van minder aangename verhoudingen en van minder juiste waardeering van zijn persoon.
Hij liet zich 7 Sept. 1852 als student te Leiden inschrijven met het plan om op het voetspoor van zijn vader, dien hij zeer vereerde, in de geneeskunde te gaan studeeren. Na zijn propaedeutisch examen ging hij echter over tot de philosophische faculteit en beoefende vooral de sterrekunde onder Kaiser's leiding. In Augustus 1856 werd hij als opvolger van J.A.C. Oudemans tot observator benoemd en hij promoveerde 30 Oct. 1857 op eene dissertatie Over de kometen van de jaren 1556, 1264 en 975en hare vermeende identiteit. Na het vertrek van J.A.C. Oudemans als hoofdingenieur van den geographischen dienst in Ned.-Indië werd hij in diens plaats benoemd tot buitengewoon hoogleeraar in de sterrekunde te Utrecht, welke betrekking hij op 24 Juni 1859 aanvaardde met eene rede over de Herleving der Sterrekunde, 1 Mei 1867 volgde zijne benoeming tot gewoon hoogleeraar.
Als observator te Leiden had hij zich ijverig bezig gehouden met waarnemingen, waarvan de uitkomsten in hoofdzaak in de Astronom. Nachrichten zijn meegedeeld. Na zijne benoeming tot hoogleeraar heeft hij zich echter weinig meer met sterrekundige waarnemingen bemoeid. Ten deele was dit zeker, omdat hij meende zijne niet sterke gezondheid zooveel mogelijk te moeten sparen; zijne zusters toch waren alle op betrekkelijk jeugdigen leeftijd aan tering gestorven en alleen een jongere broeder was hem overgebleven. Hij hield zich dan ook te Utrecht vooral bezig met theoretische onderzoekingen, in de eerste plaats over de voortplanting van het licht in zich bewegende vaste lichamen, welke hij zoowel uit de theorie als uit proefnemingen afleidde. Zijne uitkomsten heeft hij medegedeeld o.a. in de Recherches astronomiques de l' Observatoire d' Utrecht, waarvan hij 4 afleveringen uitgaf. Later heeft hij zich bezig gehouden met zeer belangrijke onderzoekingen over kometensystemen, waarvan de verschillende deelen achtereenvolgens het zonnestelsel bereiken, en hij trachtte daaruit gegevens omtrent de voortgaande beweging van het zonnestelsel af te leiden. Voor
[p. 1119]
een groot deel zijn deze opgenomen in de M. Not. of the Royal Astronomical Society.
In de eerste jaren van zijn verblijf te Utrecht heeft H. met eenige studenten een aanvang gemaakt met de samenstelling van een catalogus van vergelijkingssterren uit de Astron. Nachr. die later door N.M. Kam (zie dat artikel in dit deel) is ter hand genomen en tot een goed eind gebracht.
Omstreeks 1866 trad H. in betrekking tot de stoomvaartmaatschappij Nederland, waarin hij aanleiding vond tot de behandeling van zeevaartkundige vraagstukken en tot strenge onderzoekingen van chronometers en kompassen. Hij trad, Zwijndrecht 29 April 1869, in het huwelijk met mej. G.A. Brouwer; van zijne beide dochtertjes stierf eene op zeer jeugdigen leeftijd. Er bestaat een anonieme steendruk van zijn portret.
Zie: Levensbericht in Utr. Stud. Almanak 1874, 185.
van de Sande Bakhuyzen

zondag 17 maart 2013

Geboorte Prinses Wilhelmina

De grootvader van Henry William Hoek was Andries Hoek .
Bij de bevalling van H.M.K Emma was hij samen met Dr Vinkhuijzen de verloskundige aanwezig bij de geboorte van Prinses Wilhelmina .




Hij ontving als blijk van waardering een foto.
Die na zijn dood werd geveild.


zaterdag 2 maart 2013

Een waar levensbeeld


BIENTJES, J.A.
Eene grootmoeder. Een waar levensbeeld, opgedragen aan haar kleinzoon en peetekind Henry William Hoek, Zutphen, Thieme, 1894.
(14)+200 pag., gebonden in linnen band. De auteur, hoofdredacteur van de Zutphensche Courant, vertelt het uitvoerige verhaal over een bezorgde grootmoeder en een slechte schoonzoon. De grootmoeder is de weduwe Marie Catherine Bulkley-Bekking. Zij was in 1851 gehuwd met de in 1870 overleden leraar Engels Robert Ward Bulkley. Haar dochter Mary was in 1876 gehuwd met mr. Isaac H.J. Hoek, zoon van de chirurgijn A. Hoek. Isaac Hoek was eerst 12 jaar advocaat in Indie, daarna directeur van de Z.H. Credietvereniging. Dit echtpaar kreeg twee kinderen: in 1878 Henry William Hoek en in 1881 Martinus Hoek. Mary Hoek-Bulkley overleed in december 1882 en Isaac Hoek nam een huishoudster, Constance J.J.H. van Essen, en verbood zijn schoonmoeder nog invloed op haar twee kleinzoontjes uit te oefenen. Grootmoeder -wellicht overbezorgd- ontvoerde haar oudste kleinkind, Henry William (Hampje), omdat zij, niet ten onrechte, bemerkte dat haar schoonzoon en diens huishoudster niet goed voor de jongen zorgden. Hoek wist zijn zoontje in Engeland echter op te sporen en procedeerde tegen zijn schoonmoeder (hij had ook veel geld van haar geleend). Dit proces werd -misschien dankzij haar raadsman W. Thorbecke, zoon van de staatsman- door grootmoeder gewonnen. Maar Hoek vertrok met de twee zoontjes en huishoudster naar Apeldoorn. Kort erop deed grootmoeder Bulkley een tweede ontvoeringspoging (met hulp van eene Kloppers) die opnieuw mislukte. Zij belandde in de Zutphense gevangenis maar in een proces kreeg zij opnieuw vrijspraak. Het OM ging echter in appel (proces te Arnhem in 1886) met als gevolg 1,5 jaar gavangenisstraf. Hierop volgde gratie. Zij stichtte daarop een kindenziekenhuis te Apeldoorn, om in de buurt van de kleinkinderen te zijn, maar Hoek vertrok met kinderen en huishoudster naar Lugano. Een familieraad van Hoeks relaties verklaarde grootmoeders vrezen voor de opvoeding gegrond, met welk stuk grootmoeder naar Lugano trok. Ook die ontmoeting liep slecht af. Het gezin Hoek vluchtte naar Freiburg en grootmoeder werd beschuldigd (in 1890) een plan te hebben haar schoonzoon te vermoorden. Henry William bezocht in Freiburg in 1894 het gymnasium en grootmoeder woonde in dat jaar in de villa Eikenhof aan de Kanaalweg bij Scheveningen, waar vroeger ook het gezin Hoek gewoond had. In de tuin stond een monument met de naam Mary en de data 30-7-1878 toen zij voor het eerst met man en zoontje op Eikenhof kwam en 5-12-1882, haar overlijdensdatum. In het verhaal spelen nog een rol: grootvader A. Hoek, overleden 1883 en de zuster van Mary Hoek-Bulkley: Betsy Bulkley, geboren 1857, gehuwd I in 1876 met Rijck Chr. Schlingemann (1851-1889) en II in 1891 met H.J. Nivel. Price outside EU (no VAT): euro 175
 Antiquariaat A.G. van der Steur