zondag 19 september 2010

XVI. SLOT.

XVI. SLOT.
De dag, vastgesteld voor de behandeling van het 2de proces Bulkley, nadert.
In de eerste helft van Januari zullen de drie beklaagden voor de rechtbank te Arnhem verschijnen, om zich te verantwoorden voor de feiten, die zich op dien gedenk- waardigen avond van den 29sten September van dit jaar te Apeldoorn hebben voorgedaan. Voor de tweede maal van haar leven, zal Mevrouw Bulkley plaats nemen op de bank, meestal ingenomen door laaggezonken misdadigers of menschen, gevallen in den zwaren strijd des levens; voor de tweede maal zal zij ter nederzitten ten aanschouwe van eene saamgestroomde nieuwsgierige menigte; voor de tweede maal zal zij als getuige tegen haar zien optreden den man, die eenmaal door de heiligste banden aan haar was verbonden, en voor de tweede maal zal een diep gevoel van ontzetting de toeschouwers van het slotbedrijf van dit drama bezielen.
Aan hare zijde in die rechtzaal zullen plaatsnemen de beide menschen, die zij heeft medegesleept in 't ongeluk en die met haar zijn gevallen in den strijd voor datgene, wat zij meende, als een duren plicht, te moeten volbrengen.

Wie mevrouw Bulkley is, behoeven wij onzen lezers niet te verhalen; de getuigen a décharge, bij haar eerste proces opgetreden, hebben een juist licht doen schijnen op haar leven, dat zich gekenmerkt heeft door zelfopoffering en liefdadigheid. Zij, die zich die kleine in 't zwart gekleede vrouw kunnen voorstellen, terwijl zij den verlamden echtvriend in zijne laatste levensjaren op de villa Klein Zorgvliet aan den Scheveningschenweg verzorgde als eene liefderijke echtgenoote, kunnen — hoe men overigens ook de voorgenomen gewelddadige ontvoering moge afkeuren — slechts betreuren, dat zij in hare grijsheid moet verschijnen op die plaats van oneer en schande.

Omtrent den man, die als uitvoerder harer plannen heeft moeten dienen, kunnen wij kort zijn. Wel is waar, kan hij zich niet beroepen op een verleden als de eerste beklaagde, maar toch is hij nooit in handen geweest der justitie.
Wij zullen niet trachten zijn geheele leven na te gaan, doch slechts vermelden in welke betrekkingen hij in de laatste vijftien jaren is werkzaam geweest.

Kloppers huwde in het jaar 1870 te Brussel en kwam in 1871 naar Amsterdam, waar hij zich met zijn broeder in het aannemersvak associeerde en kantoor hield aan den N.Z. Voorburgwal over de Nieuwstraat. Daar dit huis echter te klein was om te bewonen, vestigde hij zich met zijn vrouw te Haarlem, van waar bij elken dag voor zijne zaken naar Amsterdam overkwam.
Aan de Stadhouderskade kocht hij grond en bouwde daar verscheidene huizen. Loor achteruitgang in de zaken werd hij evenwel in April 1879 instaat van faillissement verklaard. Mr. Hazelhoff werd tot curator benoemd.

Daarop vertrok Kloppers naar Brussel, waar hif eerst in onderscheidene betrekkingen werkzaam was en toen aangesteld werd als chef in een groote fabriek, in eene der voorsteden van Brussel. Later werd hij benoemd tot directeur van de tapijtfabriek van Mathot te Hamme. In 't jaar 1881 was hij te Antwerpen zonder betrekking, en schreef toen op eene advertentie in den Précurseur, waarin een chef de bureau gevraagd werd voor de Geldersche Crediet-vereeniging. Op aanbeveling van den directeur Labree kreeg hij dezen post. De Heer Schlingemann was destijds directeur van het bijkantoor te Deutichem. In 't jaar 1882 solliciteerde Kloppers naar het 2de directeurschap van de Geldersche Crediet-vereeniging, doch in stede hiervan, kreeg hij zijn ontslag. Nadat hij het veerhuis te Doesburg eenigen tijd had geëxploiteerd, werd hij benoemd tot directeur eener nieuw op te richten tapijtfabriek te Hamme; maar ook daar hield hij het niet lang uit, en was juist weder zonder betrekking, toen Mejuffrouw Schlingemann hem kwam opzoeken uit naam van Mevrouw Bulkley.
Omtrent de 3de beklaagde, Mejuffrouw Schlingemann, zullen wij niets mededeelen. De verdedigers zullen een zware taak te vervullen hebben; immers de groote vraag,waarover de debatten voornamelijk zullen loopen, nl. of de feiten, zooals zij zich hebben voorgedaan, opleveren eene straf hare poging, volgens ons wetboek van strafrecht, is reeds voor een groot gedeelte beslist in het arrest van het Hof te Arnhem in raadkamer, en het is juist dit Hof, waarvoor de beklaagden, in geval van hooger beroep, zullen moeien terechtstaan. Mevrouw Bulkley heeft hare verdediging toevertrouwd aan den Arnhemschen advocaat, mr. H. H. van Cappelle; Kloppers zal worden bijgestaan door mr. J.P. A. N. Caroli, advocaat te Amsterdam, terwijl voor mejuffrouw Schlingemann, mr. L. J. van Gelein Vitringa het woord zal voeren. Het Openbaar Ministerie zal worden waargenomen door mr. Nahuys, substituut-officier van justitie. De belangstelling te Arnhem in het proces is zeer groot, zoodat een groot publiek bij de behandeling te verwachten is. Tal van getuigen, zoowel a charge als a décharge, worden gedagvaard.

Wij nemen nu voorloopig afscheid van het Proces-Biilkley om, bij gelegenheid van de behandeling der zaak voor de rechtbank te Arnhem, er op terug te komen.