zaterdag 5 maart 2011

Vaterland

Uit Luzern wordt ons een nommer van het blad Vaterland toegezonden, eene advertentie van Mevrouw Bulkley bevattende, welke overeenkomt met een onlangs in Nederlandsche bladen opgenomene.
Ze verklaart daarin dat ze het slachtoffer van een schandelijk complot is ; zij wil niet anders dan het goede voor hare kleinkinderen, en het leven van hun vader is haar altijd heilig en zal haar altijd heilig blijven.
Moge dit het laatste woord zijn in deze onverkwikkelijke zaak.
09/07/1990

Op 20/juli 1890 vinden we dan een advertentie .
ANTWOORD
van Mevr. de Wed. BULKLEY
aan den Procureur-Generaal te FREIBURG, i. B.
Overgenomen en vertaald uit het „Lucerner Vaterland" van 20 Juli 1890.
van 6 July jl. in het Vaterland,

Als antwoord op mijne verklaring van 6 July JL in het vaterland
vaardigt het Groothertogelijk Openbaar Ministerie te Freiburg i. B. in de daar uitkomende Breisgauer Zeitung (n°. 157) eene „Officieele Bekendmaking" uit.
Daarin wordt beweerd:
I°. dat ondergeteekende
onmiddellgk na de inhechtenisneming
en overbrenging van GELSAM en KLEINERTZ
hare woning in Freiburg zoo spoedig mogelgk
verlaten en zich onmiddellgk naar het buitenland begeven zou hebben
2°. dat tengevolge van deze vlucht de officieele toezendingvan de processtukken onmogelgk geworden zou zijn.
Ik dank het O. M. voor de opmerkzaamheid,die het mij bewezen heeft, door zich met mijne verklaring in te laten.
Ik ben voor deze opmerkzaamheid des te meer erkentelijk daar het anders geen
gebruik is bij een O. M. met beklaagden in dergelijke polemiek te treden.
Daar het Grooth. O. M. in Freiburg i. B. zulks in zijne bovengenoemde
„Offlcieele Bekendmaking" nochtans gedaan heeft,
uit deze omstandigheid met grond een indirect bewijs gevonden worden
voor de juistheid van de veronderstelling,dat het O. M. aan eene schuld mijnerzijds niet recht gelooven kan.
Anders zou de buitengewone handelwijze van het O. M.een bewijs zijn, waartoe blinde hartstocht dikwijls voeren kan.
'Dit op den voorgrond gezet,verklaar ik dat de opgaven, vervat in de „Offlcieele Bekendmaking" van het O. M., verkeerd en de daarop gebouwde beschuldigingen
volkomen ongegrond zijn,
I. Wat betreft de beschuldiging,
als zou ik, dadelijk na de inhechtenisneming en overbrenging van GELSAM en KLEINERTZ, uit Freiburg i. B. gevlucht zijn, constateer ik, tot wederlegging daarvan,
de volgendefeiten:
In het begin van den vorigen winter begaf ik mg naar Freiburgi. B. met het doel om met mijnschoonzoon, Mr. HOEK, aldaar woonachtig, na langdurigen familietwist in het belang van zijn kinderen vrede te sluiten.
Mr. HOEK heeft iedere poging tot een vergelijk in der minne hardnekkig afgewezen, wat ik door de meest vertrouwbare getuigen in Freiburg I,B bewijzen kan.
Ik beschouwde het het als mijn plicht, te bewerken, dat mijn kleinkinderen, vooral mijn petekind HENDRIK, niet geheel gescheiden van hunne familie zouden blijven en ze met deze weder in eenigerlei aanraking zouden komen.
Door dit oogmerkgeleid,schreef ik eene brochure, waarin de geschiedenis van onzen treurigen familietwist en zijne oorzaken toegelicht werden.
Dit schrijven gaf ik aan die personen, welke zich voor de familie en de bewuste gebeurtenissen interesseerden.
Mr. HOEK klaagde mij toen bij het gerecht aan wegens laster.
Ik keerde naar Holland terug om daar de bewijzen te verzamelen voor de waarheid van hetgeen ik in mijne brochure beweerd had.
Ik vond ze en keerde met mijne bewijsstukken naar Freiburg i. B. terug, om hier persoonlijk de verdediging tegen Mr. HOEK's aanklacht wegens laster te aanvaarden. Onder mijne bewijsstukken bevonden zich getuigschriften van zeer achtbare personen, o. a. een authentieke brief van wijlen den vader van Mr. HOEK.
Deze brief kwam den aanklager en eenen intiemen vriend van hem vooral bijzonder ongelegen.
Daar alle onderteekeningen in Den Haag eerst gelegaliseerd moesten worden,kwamen de betreffende bewijsstukken ter kennis van belanghebbende kringen in Den Haag en daardoor ook in Freiburg i. B. en was die inhoud aan de daar wonende belanghebbenden bekend nog vóór dat ik van Den Haag naar Freiburg was teruggekeerd.
Van dat oogenblik af heeft men met allerlei middelen beproefd mijn terugkeer naar Freiburg te verijdelen. Vervalschte telegrammen werden mij uit Freiburg toegezonden,
die mij raadden,er niet weder terug te keeren.
Nu voorwaar geeft men voor, dat ik die telegrammoh zelf zou hebben geschreven !
Dé bewuste depêches echter zrjn geschreven in Duitsehe letters, een schrift, dat ik in het geheel niet machtig ben!
Zelfs mijn Advocaat, in wien ik alle vertrouwen stelde,de Heer KOHLER in Karlsruhe, een vriend van den ambtenaar van het O. M. in Freiburg i. 8., zocht mij te bewegen, van eene persoonlijke aanvaarding mijner zaak voor het Freiburger Sohepengericht en
resp. van een terugkeer naar Freiburg i. B. af te zien.
Toen ik desniettemin bij mijn voornemen volhardde, aangezien ik eene gerechtelijke
beoordeeling van mijne bewijsstukkeu niet te vreezen had,deed Advocaat KOHLER bij mijn doortocht door Kalsruhe nieuwe pogingen mij van mijn plan af te brengen; hij raadde mij ernstig aan niet voor het Freiburger Gerechtte verschijnen, want men was daar tegen mij „als bezeten" („wie besessen).
Dit was de woordelijke uitdrukkingvan denHeerKOHLER,in tegenwoordigheid van een getuige,wien dit pijnlijk aandeed. Mij zelf deed deze uitdrukking zeer leed.
Ik vertelde het incident dadelijk in mijnen kring van kennissen en kon niet begrijpen aan welke invloeden ik reeds toen het verschijnsel te danken had,dat men in Freiburg zóo tegen mij ingenomen was.
Ik liet mij evenwel niet afschrikken,droeg mijnen Advocaat, den Heer KOHLER, op, het Freiburger gerecht mijn persoonlijk verschijnen aan te kondigen en reisde daarna naar Freiburg i. 8., om hier het bewijs van de waarheid persoonlijk voor het gerecht te gaan leveren.
Aan den Heer KOHLEE gaf ik mijne stukken in bewaring, waarvan hij mij nu, trots mijn uitdrukkelijk verlangen, de teruggaaf standvastig weigert en dit ook mijne gevolmachtigde Adv Soldati in Lugano geweigerd heeft.
Na 8 dagen oponthoud in Freiburg i. B. vernam ik, dat er plotseling een bevel tot mijne inhechtenisneming was uitgevaardigd.
Waarop het gegrond was,kon ik niet te weten komen;ik zelf had geen flauw vermoeden
van de oorzaak van dit bevel.
Ik verliet Freiburg, niet naar aanleiding van de inhechtenisneming van GELSAM en KLEIWEBTZ, hetgeen ik eerst later hoorde,maar omdat ik niet, zonder te weten waarom, gevangenwilde worden genomen, en dat nog wel op gevorderden leeftijd en ternauwernood
uit eene zware ziekte hersteld.
Eene preventieve hechtenis zou onder zulke omstandigheden mijn dood geweest zijn, en ik wildemijn leven niet om eene mysterieuse aanklacht,waarvan de inhoud mij onbekend was, op het spel zetten.
Dat is de reden waarom ik Freiburg i. B. verliet, nadat ik er heen was gereisd met het doel om eerlijk en met open vizier mijne zaak persoonlijk voor het gerecht te
verdedigen.
11. Wat betreft de bewering in meergenoemde „Officieele Bekend- making" van het Openbaar Ministerie,als zou ik door mijne vlucht de officieele toezending van de processtukken onmogelijk gemaakt hebben, hierop diene het volgende aan het O. M. beleefd als antwoord:
Toen ik te Bazel in het Hotel „Viktoria" aankwam, stelde ik mijn tegenwoordigen Ad- vocaat in Freiburg i. 8., den Heer FEEDERLE,een schriftelijke algemeene volmacht ter hand, waarin ik hem o. a. ook machtigde in mijne plaats al de stukken betreffende dit mysterieuse proces in te zien.
Onder overlegging van deze volmacht diende de Heer FEEDERLE bij het Freiburger Gerecht een uitdrukkelijk verzoek in om toezending der betreffende stukken.
De toezending werd opnieuw geweigerd.
Eerst toen het proces tegen GELSAM- KLEINERTZ met een veroordeeling dezer beide individuen eindigde, kreeg de Heer FEEDERLE inzage in de stukken natuurlijk
te laat, om de beschuldigingen,betreffende mijne persoon, van deze twee individuen voor het gerecht te weerlegen.
Noch mijne vlucht, mijnheer de ambtenaar van het O. M., noch de onbekendheid met de plaats waar ik mij ophield, hebben aldus de toezending der stukken en eene verdedigingmgnerzgds onmogelgk gemaakt.
Uw desbetreffende bewering in de „Officieele Bekendmaking is dus onjuist!
Het volgende moet in deze zaak nog op den voorgrond gesteld worden-
Bij de behandeking van den zaak Gelsam en Kleinerts voor de rechter heeft het O.M. de pijlen zijner welsprekendheid verreweg meer tegen mij, de afwezige en van verdediging beroofde, dan tegen de twee beklaagden gericht.
Aan de verklaring dezer twee individuen, die ïndertijd naar men weet Mr. HOEK van hetzelfde betichtten wat zij mij later te last hebben gelegd, heeft men geloof geslagen; vervalschte brieven, welker authenticiteit men geweigerd heeft door deskundigen te laten onderzoeken werden als bewijzen tegen mij aangevoerd en,daarop steunende, heeft het O. M.een oordeel over de ondergeteekende uitgesproken;
hetzelfde O. M., dat toch aan de ondergeteekende,resp.haren Advocaat, de inzage der
processtukken weigerde !
Ook worde men er aan herinnerd, dat het O. M. bij de behandeling van het proces beweerd heeft,dat de Advocaat SOLDATI in LUGANO volstrekt niet aangevallen en verwond
was geworden,en de Tessiner overheid zou aan het O. M. een desbetreffend authentiek bericht gezonden hebben. De waarheid in dit geval, die in het kanton Tessin
algemeen bekend is, is deze: dat de Advocaat SOLDATI in den avond van den sden Maart 1889 feitelijk in LUGANO onder tot nu toe onopgehelderde omstandigheden overvallen en zwaar verwond is geworden, en dat de nasporingen van de politie naar den dader en
het gerechtelgk onderzoek in deze zaak nog niet afgesloten zijn.
Ditzelfde betuigt eene officieele verklaring van de bevoegde Tessiner overheid, die door mij bij de administratie van het Vaterland gedeponeerd is.
Van het begin af aan zedelijk vernietigd, zou ik nu bovendien nog voor een gerecht verschijnen, dat tengevolge van de veroordeeling van GELSAM en KLEINERTZ, die eene ongehoorde beschuldiging tegen mij hebben ingediend,waarbij zij als medeplichtigen figureerden, zich de handen gebonden heeft in dezen zin, dat het of mij veroordeelen, öf ingeval ik word vrijgesproken, zijn vonnis tegen de beide bovengenoemden omverwerpen moet!!
Dat noemt men toch te veel geëischt!
Tk koester alle vertrouwen in eene rechtvaardige Justitie, maar niet in eene vooringenomene.
Laat het O. M. zijn ambt van aanklager vervullen, maar laat het ook zijne taak indachtig blijven, om de waarheid, en alleen deze, uit tevorschen!
De waarheid is echter niet te vinden daar waar hartstochten een bedriegelijke schijn heerschen en zij wordt ook niet gevonden, wanneer men slechts beschuldigt zonder aan de beschuldigde het recht der verdediging toegestaan te hebben.
En zoo heb ik op het oogenblik weinig lust, aan de uitnoodiging yan het O. M. om naar Freiburg i. B. terug te keeren, gevolg te geven.
Misschien echter zal de dag toch komen, dat ik dezen stap doen zal en mij de mogelijkheid zal aangeboden worden om alle draden van de infame intriges, waarvan ik het slachtoffer geworden ben, in het helderste daglicht te brengen, en de geheimzinnige hand te ontdekken, die brieven en telegrammen vervalscht heeft, om stof tot aanklacht tegen mij te vinden.
Tot zoolang schik ik mij met gelatenheid het koste wat het wil — in de wreede bezoeking, die mij getroffen heeft.
Mijne hoop rust op dien Rechter, die boven alle menschelijke vierscharen verheven en niet te bedriegen is, tegen wiens Alwijsheiden Gerechtigheid valsche getuigenissen en vervalschte documenten niets helpen.
Op dezen rechtvaardigen Reohter hoop en vertrouw ik, en ten aanzien van dezen eeuwigen Rechter vernieuw ik heden met de hand op het hart de verklaring dat ik aan de vereslijke misdaad,waarvan twee ellendelingen mij betichten, niet schuldig ben. M. BULKLEY-BEKKING. 18 Juli 1890.