maandag 4 oktober 2010

Proces Bulkley in de krant van 14-01-1886

Proces Bulkley. c. s.
Dinsdag 12 Jan.

Mr. Vitringa acht zich over dit antwoord zoo voldaan, dat hij niets meer te vragen heeft.

(Vervolg).

Getuige Noordhoff, thans Rijksveldwachter te Hilversum, verklaart alles zooais is vermeld. Kloppers vroeg of er snuif was gekocht, waarop een ontkennend antwoord volgde. Hij zeide: We hebben peper genoeg. Kloppers zeide, na binnen gekomen te zijn, in het tuinhuis: Het is om twee kinderen te doen en 3 personen onschadelijk te maken, door Heer, Jufvrouw en meid proppen in den mond te steken. Mevr. Bulkley waarschuwde om zeer voorzichtig te zijn, omdat Hoek gevaarlijk was en altijd wapens bij zich droeg. Gelukte het de kinderen te krijgen, zoo volgde de bekende belooning. Mevr. gaf de peper. Een touw lag in de kamer, Mevr. gaf het, en de mannen sneden het stuk. De ploertendooder was om op den arm te slaan. De revolver was niet geladen. Zakdoeken hebben jelui wel voor proppen», werd gezegd. Kloppers gaf het vleesch aan Van der Aa. Bij het overgaan tot de daad zeide hij uit vrees voor de gevolgen Mr. Hoek aangepakt te hebben. Zij zijn met 3 personen binnen geweest, en dit gaf aanleiding tot de worsteling. Hij verklaart onderweg aan zyn makkers medegedeeld te hebhen, dat hij Rijksveldwachter was. «Wist Kloppers dat ook?i< vraagt de Voorzitter. (Hilariteit). Neen. Noordhoff verklaart pertinent op de vraag van rechter De La l'orte dat Kloppers hem medegedeeld heeft, dat het om de kinderen te doen is. Hij had er niet naar gevraagd. Wel had hij aan mevr. gevraagd of er geweld mocht worden gebruikt, waarop het antwoord was: «Liever niet, maar, zoo noodig, ja.» üp het oogenblik van aanbellen was Kloppers vlak achter hen. Afr. Van Capelle vraagt wat nu deze heele vertooning van getuige heeft ten doel gehad. het antwoord was: het plan te laten beginnen, doch er dadelijk een eind aan te maken; de personen hebhen de ƒ6O behouden, doch ik heb die gedeponeerd. Mr. Caröli vraagt hoe het mogelijk is, dat hij den Officier te Amsterdam niet reeds dadelijk heeft gezegd dat er plan tot ontvoering bestond. Hij antwoordt, dat er niet naar gevraagd is. Zijne instructie luidde: te handelen naar omstandigheden, zoodat de Officier hem niets heeft voorgeschreven. Mej. Schlingemann zegt, dat het onwaar is, dat Mevr. Bulkley geraden heeft peper in de oogen te gooien. Is het waar — vraagt Mr. Carolï — dat deze getuige dezer dagen nog een onderhoud met het parket te Amsterdam heeft gehad ? Deze vraag mag de Rechtbank niet laten plaats hebben. Getuige Jacobus Wolff, rechercheur te Amsterdam, kende Kloppers niet anders dan onder den naam van Jager. Mevr. Bulkley deelde mede, dat het niet voor een krankzinnige maar om twee kinderen te doen was. Zij deelde touw uit, dat in stukken werd gesneden; zij gaf vleesch en zeide: hier zijn 2 zakjes peper, een voor Smoll en een voor Noordhoff'. Hier zijn proppen, of jelui hebt ook zakdoeken bij je». Noordhoff greep Mr. Hoek, en hij trachtte dezen weerlooste maken. Ook Angelbeek was daarbij. Zij gingen terstond wegen twee nieuwen kwamen binnen. Zij sprongen over het hek om Kloppers na te gaan; deze was al weg. Van de worsteling kon hij niets zien, wegens de duisternis, Hij wist van den commissaris Stork, dat het eene ontvoering gold. Mevr. Bulkley zeide het eerst dat het eene ontvoering betrof. Noordhoff vroeg niet daarnaar. Getuige heeft nergens een ander vreemd persoon gezien ; Teunisse kende hij als rechercheur. Of de anderen het wisten, weet hij niet; op twee na echter denkelijk wel. In den spoortrein Amersfoort—Harderwijk deelde hij hèt echter aan allen mede. De getuigen komen thans, volgens Mr. van Capelle, niet overeen; de ene zegt dat Mevr. Bulkley, de ander dat Kloppers instructie gaf. Zulks wordt geconstateerd terwijl hij tevens opmerkt, dat fl van de ƒ6O, aan hem verstrekt gegeven geworden zijn aan een omgekochten sjouwer voor zijne nobele daad. De peper lag volgens getuige niet op een tafel. Hij geeft heel anders op dan in de instructie door hem is medegedeeld. David Angelbeek, te Amsterdam, was met 2 anderen 12 September naar Apeldoorn geweest, daartoe uitgenoodigd door beschuldigde Kloppers, rüen bij herkent. Later, den 29n, is hij weder medegegaan met hun achten, en wist steeds niet beter of 't was te doen om een krankzinnige, die gevaarlijk was. Kloppers was, volgens hem, weder hoofdpersoon, Hij wist van begin af "aan dat Noordhoff en Wolff politie was. Zijn plan was om niets te doen en maar af te wachten wat er komen zoude. De Heer Haersolie vraagt waarom hij den man verraadde van wien hij geld ontving, telkens aan den commissaris van politie vertellende dat Kloppers er weer was geweest. Hij vertrouwde geen verrader. Hij vraagt verder of er hem niet in de laatste dagen over gesproken is om zoo te verklaren als hij thans heeft gedaan, waarop hij ontkennend antwoordt. De Officier v. Just. vraagt of hij wel de volledige waarheid heeft gezegd, temeer daar hij vertelde dat zij met 5 personen binnen en buiten waren geweest gedurende de worsteling. Angelbeek blijft bij zijne verklaring. Hij heeft de ƒ6O behouden, llij meent dat Kloppers op 200 pas stond terwijl de anderen aangeven van 3 a 5 pas. Mr. Caroli verzoekt acte te nemen, dat de getuig» verklaart, dat den Heer Hoek in geen geval leed zou worden gedaan en hij zelfs niet gebonden of geslagen zou, hebben. Wegens de duisternis worden thans 2 lampen en 4 kaarsen ter verlichting binnengebracht. Johannes Angelbeek, Amsterdam, komt in zijne verklaring met de anderen overeen! Kloppers deelde touwen uit om te binden. Hij had 2 zakjes peper zien liggen; mevrouw gaf er één,zoo hij vermeent,en zeide: »als die heer zich verweert strooi je hem peper inde oogen.« Kloppers zette de posten uit. Hij zag dien niet meer terug. Hij hoorde in het tuinhuis dat er een ontvoering zou plaats hebhen hetgeen Kloppers mededeelde. Kloppers zou een der kinderen. Noordhof het andere afhalen. Noordhof hoorde hij zeggen tegen den Heer Hoek: dat zij alle acht politie waren. Die anderen schoten toe om Noordhof te verlossen uit de handen van den heer Hoek, vandaar de worsteling. Hij wist dat er politie bij was, daar hij van te voren bij den commissaris Stork was geweest en deze gezegd had dat er politie mede ging. Hij had in geen geval eenig letsel aan een der personen gedaan en was alleen van de partij, omdat de commissaris hem gezegd had dat alles wat hij van dien Heer kreeg hij maar aan moest pakken. Opnieuw wordt hiervan acte genomen. Hij heeft niet gehoord dat er gevraagd is of er gemoord moest worden. Woensdag, 13 Januari. De zitting wordt heropend te 10^ uur. David Angolbeek ontkent aan Schmoltz, Van der Aa en Teunissen gezegd te hebben dat zij politie waren r dit heeft zijn broeder, vóor met het spoor te vertrekken, medegedeeld. Deze bekent zulks.

B. Schlosser deelt mede, dat Angelbeek hem uitgenoodigd heeft om met 3 anderen een krankzinnige te vervoeren, en wel in het begin van September. Hij stemde toe, en later kwam een onbekend heer bij hen, dien zij zouden herkennen aan een witten zakdoek. Zij mochten dien persoon, dien hij thans herkent als Kloppers, niet aanspreken. (Volgt het gewone verhaal). Kloppers zeide dat er 3 personen onschadelijk gemaakt moesten worden, hij gaf touwen die verdeeld werden; Mevrouw aan Schmoltz een zak peper en Kloppers een aan een ander. Kloppers zette de posten uit, hij was volledig op de hoogte dat er politie bij tegenwoordig was en alles onder hare oogen geschiedde, zulks wist hij van het begin af aan. Üe anderen wistten het allen bij het vertrek van 't spoor. Kloppers kwam na de mislukking hen waarschuwen te vluchten. Ook hij was volstrekt niet van plan om iels kwaads te doen, doch maakte geen bezwaar, omdat Noordhoff gezegd had dat alles, wat er van kwam, voor zijne rekening was. Getuige constateert op de vraag van Mr. Cappelle dat de peper op een tafeltje gereed lag. Wel was hij achter het huis geposteerd om den uitgang te beletten, doch hij had niemand met geweld tegengehouden.

Mr. Carali vraagt pertinent of hij aan de ontvoering zou medegewerkt hebben?

Antwoord: Alleen in naam der politie. Getuige F. C. Schmoltz. Hij ontving de peper van Mevrouw, om die in de oogen te strooien. Kloppers deelde het touw uit, om, in geval van verzet, te binden, en liet een ongeladen revolver zier. om, zoo noodig, bang te maken of op de polsen te slaan. Kloppers gaf v. d. Aa het vleesch en zette de posten uit, hij en de beide Angelbeeken waren bij het overhandigen van den brief, en getuige hoorde duidelijk dat Noordhoff zeide »wij zijn politie.« Bij de worsteling ging hij weg, na eerst Noordhoff ontzette hebben. Ook deze getuige verklaart stellig, dat hij alleen de orders van de politie zou opvolgen, wijl deze aanwezig was. Mr. Van Cappelle vraagt of bij achter Noordhoff heeft gestaan, wijl Mr. Hoek zegt, dat iemand, zeer klein, hem om den hals is gesprongen eu deze getuige de langste van de bende is. Óp toestemmend antwoord wordt daarvan akte genomen.

Mevrouw Bulkley herinnert zich nu dat zij de peper aan dezen persoon heeft gegeven en niet aan den ander, dien zij heeft genoemd. Getuige Th. G. van der Aa. Schlosser heeft hem uitgenoodigd mede te gaan naar Apeldoorn voor het transport van een krankzinnige. Hij wist door dezen en Angelbeek dat er politie bij was. Hij ontving het vleesch van Kloppers. Nadat deze posten had uitgezet, heeft hij hem niet meer teruggezien. De Heer Hoek pakte hem toen vast en verscheurde ziju jas, hij geraakte daardoor ook zijn ƒ6O kwijt. Hij wist niets van kinderenontvoering, doch meende steeds dat er iets met een krankzinnige te doen was.

Mr. Haersolie vraagt of hij geneigd was geweest om te binden, wijl er politie bij was. Antwoord: ja, omdat er politie bij was. Getuige blijft ontkennen iets van kinderen te weten, nadat de officier hem zulks afvroeg.

Mr. Caroli vraagt op wiens last hij gebonden zoude hebben.
Antwoord: op last van Kloppers, doch als Noordhoff het verboden had, had hij dit gelaten. Hij mocht volgens den hem gegeven last alles doen wat hem werd opgedragen. Getuige Teunissen, de laatste van deze groen, deelt in plat Amsterdamsch dialect mede gehoord te hebben, dal er nog een rechercheur zoude gaan, terwijl hij wist dat er een ander politie-beambte reeds in betrokken was. Mevrouw zeide, dat het niet meer voor een krankzinnige te doen was maar voor ontvoering vun 2 kinderen, hij nam het geld aan omdat de politie geld aannam. Op het schreeuwen liep hij weg, want hij werd daarvan zco akelig, hij is groot van stuk, doch erg klein van hart, en een Heer zoo te hooren kermen kon hij niet uitstaan. Bovendien, Edelachtbare — zoo besloot hij — hield ik mij aan de politie; Kloppers zou hij niet gehoorzaamd hebben, Noordhoff zoude wel handelen en spreken. Get. Mej. C. van Essen, Huishoudster. Zij is sedert 16 .lan. 1883 bij den Heer Hoek, en zorgt voor beide kinderen van den Heer Hoek, die zeer zorgzaam daarvoor is. Zij weet dat mijnheer anonieme brieven kreeg, doch las die niet. Alleen weet zij het uit mededeeling. üe Heer Hoek deelde haar mede dat deu 29 Sept. een brief was gekomen, hij werd gewaarschuwd voor 'savonds, dan zou er iets gebeuren. Mijnheer gelastte de deuren der slaapkamer te sluiten. Dit geschiedde toen. Te 9 uren, terwijl de kinderen sliepen, werd gebeld. De meid ging opendoen, mijnheer ging zien wat er was, en kort daarop vloog de meid naar boven, terwijl zij beneden eene worsteling hoorde. Eenige oogenblikken later kwam mijnheer boveu en zag zij dat mijnheer hier en daar verwond was.

Zij heeft tijdens het leven van Mevrouw den heer Hoek nimmer gekend. He getuige heeft vroeger in Delft gewoond, na '18 jaar in Zeeland geweest te zijn. Getuige Teuntje Nieuwenhuis, Dienstbode, deelt mede, dat zij met Mei 2 jaar in haar tegenwoordigen dieust is. Dat er 's avonds op 10 September, te 9 uren, werd gescheld, en ene persoon met een briefje kwam van den kantonrechter; dat mijnheer daarop aankwam, die werd aangegrepen, terstond waarop zij naar de veranda ging, doch buiten een man vond staan. Zij schrikte hevig, begon te schreeuwen en vloog naar boven naar de juffrouw en sloot met liet 33 Sleutelslot de deuren der slaapkamers. Later zag zij dat mijnheer ontdaan was en bloedde. Volgens hare meening is haar meester goed voor de kinderen.

Getuige K. Jager, koetsier gedurende i jaar bij deu Stalhouder Kien, te Zulfen. Mevrouw Bulkley had daar 2 maandpaarden en hij was koetsier voor haar gedurende 2 maanden. Hij weet dat er paarden te Soest voor Mevrouw zijn besteld omdat zij daar rijden wilde, den 29 September kwam een vreemd persoon (hij herkent hem als Kloppers), die nabij den tol naar den weg vroeg, Hij ging mede en kwam een rijtuig met personen tegen, waarnaar Kloppers hem reeds had gevraagd. Hij sprak den koetsier aan of dit het rijtuig uit Amersfoort was waarop ja werd geantwoord; de menschen stapten uit. Hij ging naar den stal en had van Mevrouw in last den landauer in te spannen; aan den stal kwam zijne meesteres met een onbekende dame in het rijtuig. Hij kreeg last om op te rijden en moest stil houden achter het huis vau Mr. Hoek. Na kort gewacht te hebben kwam een heer die instapte, en ontving hij last om op te rijden. Hij, heeft geen tweeden persoon gezien. Alleen Kloppers. Daarop is Hoek doorgereden naar Arnhem. Kloppers stapte aan het Velperplein uit, en daarop reed hij naar het huis van den Ueer Schlingemann waar de dames uitstapten. Den volgenden dag werd hem gelast in te spannen en heeft hij beide dames naar Zutfen gebracht. Zonder orders had hij bij de reis van Apeldoorn naar Arnhem toevallig geen lantaarns aan. Hij herinnert zich niet op de vraag, bij aankomst door den Heer Schlingemann gedaan, waarom hij zoo laat kwam gezegd te hebben: dat er een ongeluk was gebeurd. Waarom hij stilgehouden heeft aan Valkenhuizen en niet aan de Woeste hoeve, kan hij niet ophelderen. Hij was voorbij eer hij zulks wist. Vroeger heeft hij nog eens met een rijtuig een geheelen nacht aan de Woeste hoeve gestaan, doch kreeg later bericht dat de familie niet gekomen was. Nadat bij Mevrouw naar Zutfen had gebracht, heeft hij haar nog slechts eenmaal, van den Ueer Enaelberts naar het Huis van Arrest, gereden, en alleen gezegd: «Dag Mevrouw». Getuige H. Ender. Hij is sinds Juni als opzichter van de speelplaats aangesteld op /300. Hat was genoeg; zij wilde hem ƒ 400 geven, Hij was op last van Meviouw naar Amsterdam gegaan en ontmoette daar deze met een Heer, dien hij als Kloppers leerde kennen en die voorgaf zoon vau den hoofdcommissaris te zijn. Er was sprake van dat er menschen moesten aangeworven worden voor een krankzinnige, die hem bekend gemaakt werd als de Heer Hoek. Zij wierven toen een persoon aan die ontving en ene paar anderen moest bezorgen. op de vraag om kort te zijn, was het antwoord van dezen getuige: «Ik wilde dat ik er al af was». (Hilariteit). Van mevrouw hoorde hij van de ontvoering der kinderen, doch hij wilde er niets mede te doen hebben. Wel had mevrouw hem vroeger ook gepolst om menschen op te sporen die aan lager wal waren, doch hii deed er nooit iets aan.

Mevrouw Bulkley verklaart dit voor geheel onwaar en licht nader toe.

Kloppers zegt, dat Ender van alles af wist en deze in Amsterdam de personen heeft aangewezen. Dit geeft aanleiding tot een debat tusschen Ender en Kloppers, waarop de eerste zegt zijn vrouw voor den tweede te zullen waarschuwen enz.

Getuige G. J. Tien, stalhouder te Zutfen. In Juni nam Mevrouw paarden bij hem, doch die werden slechts 5 dagen gehouden, later werden maandpaarden genomen en een span voor Soest besteld. Ik zond ze,doch kreeg ze den volgenden dag terug. Getuige Mathilde Poppee, dienstbode te Haarlem, bij Kloppers. Verleden jaar woonde zij te Hamme en ontving daar een bezoek van juffrouw Schlingemann, die zij herkent, en waarmede Kloppers 'savonds vertrok. Later zag zij haar in Antwerpen terug, waar zij weer bij haar meester kwam.

Getuige Dina Klomp, dienstbode bij Mevrouw Schlingémanh, erkent dat op zekeren dag personen op de kamer zijn geweest en zij op bier en brood zijn onthaald. Zij kent noch ;de 3 personen noch Kloppers. Jutlrouw Schlingemann haalde Mevr. Bulkley, en gezamenlijk gingen zij naar genoemde kamer. Getuige ,1. van den Burg, hotelhouder te Apeldoorn, verklaart dat Kloppers onder den naam van Vianen bij hem heeft gelogeerd van 15 en 26 en 26 0p 27 Juni. Kloppers zegt, dat hij gewoonlijk 2 namen, als «Kloppers van Vianen« aanneemt, doch hem wordt bewezen uit de akten van den burgerlijken stand, dat hij daarop geen recht beeft.

Na deze verklaringen werd eene pauze tot half twee ingesteld.

(Zie verder hierachter.)